Hoe wordt hemofilie A gediagnosticeerd?

Eerstelijnslaboratoriumtests

Test

APTT(1) (geactiveerdecefalinetijd)

Mengtest(2)

PT (protrombinetijd)

TT (trombinetijd)

BT (bloedingstijd)

Resultaten

toegenomen

Gecorriged

normaal

normaal

normaal

(1) Bij geïsoleerde gevallen is de APTT toegenomen; de mate van verlenging is afhankelijk van de ernst van factor VIII-deficiëntie en van de gevoeligheid van het reagens voor factor VIII-deficiëntie.

(2) De verlenging van de APTT kan worden gecorrigeerd door het plasma van de patiënt in gelijke delen te mengen met een normale poolplasma.

Gespecialiseerde tests

  • De stollingsactiviteit van factor VIII wordt bepaald om de diagnose te stellen en de ernst van de ziekte te bepalen. De test kan worden uitgevoerd op seriële verdunningen van het plasma van de patiënt om een eventuele interferentie van circulerende lupus-anticoagulans-antilichamen uit te sluiten.
  • Activiteitsniveaus zijn normaal voor andere factoren waarvan een deficiëntie een geïsoleerd geval van verlenging van APTT kan veroorzaken (factor IX, XI en XII).
  • Het gehalte van het vonwillebrandfactor (ristocetine-cofactor-/antigeen-activiteit) is normaal.

Differentiële diagnose

Differentiële diagnose houdt in dat andere oorzaken voor verlenging van de APTT als gevolg van een verminderde activiteit van factor VIII worden uitgesloten:

Antifactor VIII-antilichamen 

  • Verworven hemofilie A gaat gepaard met antilichamen tegen factor VIII bij niet-hemofiliepatiënten. Dit is een zeldzame ziekte die vooral bij vrouwen kan optreden tijdens of aan het einde van de zwangerschap, bij patiënten met een auto-immuunziekte en bij ouderen.
    Het vaakst voorkomende klinische teken is de aanwezigheid van uitgesproken hematomen. Aangezien de ziekte levensbedreigend kan zijn, moet snel een aangewezen behandeling worden gegeven.
    De diagnose bestaat uit een screening voor een specifieke remmer tegen factor VIII aan de hand van de Bethesda-methode of de Nijmegen-methode. Deze remmers worden ook vaker waargenomen (10 tot 15 % van de patiënten) bij hemofiliepatiënten die een substitutietherapie met factor VIII krijgen. Ze zijn immuun hiervoor als gevolg van de ontwikkeling van antilichamen tegen factor VIII.

Ziekte van von Willebrand type 2N (Normandy) 

  • Deze ziekte wordt gekenmerkt door varianten van de vonwillebrandfactor met een lage affiniteit voor binding aan factor VIII. De gehaltes van factor VIII zijn laag en de gehaltes van de vonwillebrandfactor zijn normaal, terwijl de mate van activiteit van factor VIII afhangt van het type VWF-mutatie. Differentiële diagnose bij hemofilie A bestaat uit het bepalen van de affiniteit van de vonwillebrandfactor van de patiënt voor factor VIII.

Andere pathologieën

  • Er zijn andere vormen van de ziekte van von Willebrand waarbij de gehaltes van factor VIII samenhangen met de vonwillebrandfactor.
  • Een gecombineerde factor VIII-/factor V-deficiëntie is een zeldzame anomalie die naar schatting bij één op een miljoen voorkomt. Deze prevalentie is echter veel hoger dan de theoretische gecombineerde prevalentie van factor VIII-deficiëntie en factor V-deficiëntie.
    Deze abnormaliteit is het gevolg van mutaties op de genen [normaal ERGIC (ook bekend als LMAN1) en minder vaak MCFD2] die coderen voor de transporteiwitten die betrokken zijn bij het intracellulaire transport van factor VIII en V, en doorgaans leidt dit tot een matige vermindering tussen 5 en 20 % voor factor VIII en V.
    De laboratoriumdiagnose is gebaseerd op een gelijktijdige verlenging van de APTT en protrombinetijd, waarna factor V-deficiëntie kan worden aangetoond. We bevelen aan om de mate van activiteit van factor VIII ten minste eenmaal te bepalen bij alle patiënten met een constitutionele factor V-deficiëntie. Zo kunt u er zeker van zijn dat deze anomalie niet over het hoofd is gezien.

Top