Welke behandeling bestaat er?

Twee aspecten zijn hier heel belangrijk:
 
  • de curatieve behandeling van trombo-embolische aandoeningen
  • de preventie van trombo-embolische aandoeningen

De curatieve behandeling van trombo-embolische aandoeningen

Laagmoleculaire heparine (LMWH) is het middel van de eerste keuze. In geval van een contra-indicatie wordt ongefractioneerde heparine (UFH) in therapeutische dosissen gebruikt, gevolgd door een behandeling met vitamine K-antagonisten (VKA); in de veronderstelling dat hiertegen geen contra-indicatie bestaat.
In bepaalde gevallen, met uitzondering van zwangere vrouwen, waarvoor een contra-indicatie bestaat, kan fondaparinux worden gebruikt bij het behandelen van diepe veneuze trombose of longembolieën.
VKA veroorzaken in 4 tot 7 % van de zwangerschappen een misvorming tussen de 3e en de 9e zwangerschapsweek. De behandeling met VKA is uitsluitend bestemd voor gevallen waarbij LMWH niet kan worden gegeven. In geval van het toedienen van VKA tijdens de zwangerschap is de overschakeling naar LMWH vanaf de 36e week van de amenorroe absoluut noodzakelijk.
De controle en aanpassing van de dosering houden in:

  • het meten van de aPTT of bij voorkeur van de anti-Xa-activiteit bij met UFH behandelde patiënten
  • het meten van de anti-Xa-activiteit bij met LMWH behandelde patiënten
  • een INR-test bij met VKA behandelde patiënten

Bij een behandeling met UFH of LMWH moet het aantal trombocyten regelmatig worden bepaald om een eventuele heparinegeïnduceerde trombocytopenie (HIT) van type II te onthullen:

  • een eerste telling vóór het begin van de behandeling
  • binnen de eerste 24 uur na het begin van de behandeling
  • tweemaal per week tijdens de eerste maand van de behandeling
  • eenmaal per week na die periode

Preventie van trombo-embolische aandoeningen

Voor de preventie van trombo-embolische aandoeningen worden VKA's ingezet. Als die niet kunnen worden toegediend, is het toedienen van LMWH of UFH in profylactische dosissen mogelijk. De laboratoriumdiagnostische controle berust op:
 
  • een INR-test voor de VKA's,
  • het meten van de aPTT of bij voorkeur van de anti-Xa-activiteit voor UFH.

Doorgaans is het meten van de anti-Xa-activiteit bij patiënten die met LMWH in profylactische dosissen worden behandeld, niet noodzakelijk.
Om een eventuele HIT van type II te ontdekken, is er een controle van het aantal trombocyten voorzien bij alle patiënten die met UFH en LMWH worden behandeld.